Een patiënt die in de laatste fase van zijn leven nog chemo krijgt. Antibiotica die volgens jou weinig meer toevoegen. Sondevoeding die blijft lopen terwijl iedereen ziet dat het einde nadert. Verpleegkundigen staan het dichtst bij de patiënt en zien als eerste wat een behandeling met iemand doet. Uit een enquête van vakblad Nursing onder zo’n 400 verpleegkundigen blijkt hoe zwaar dat kan wegen. Wat zegt je beroepscode als je twijfelt aan een behandeling die een ander heeft ingezet, en waar kun je met dat gevoel terecht?
Wat de enquête laat zien
Van de verpleegkundigen die de enquête invulden, maakt 75 procent soms mee dat een patiënt onnodig lijdt doordat een behandeling wordt voortgezet. Voor 19 procent gebeurt dat vaak, meldde Skipr op 1 oktober 2026. Het gaat dan om radiotherapie, chemo of antibiotica die volgens de verpleegkundige geen zin meer hebben, en om patiënten die zichtbaar overbelast raken door pijn en uitputting. Een respondent noemde het hartverscheurend. De belangrijkste reden voor het doorbehandelen is volgens de invullers dat de patiënt zelf of de naasten willen doorgaan.
Het is belangrijk om te zien wat dit wel en niet is. Het is een peiling onder lezers die zelf stemden, geen wetenschappelijk onderzoek, en het gaat om de waarneming van verpleegkundigen. Of een behandeling in een concreet geval zinvol is, is een medische afweging tussen arts en patiënt. Maar dat zoveel verpleegkundigen het gevoel herkennen, zegt wel iets over de plek waar zij staan.
Wat morele stress is
Beroepsvereniging V&VN beschrijft morele stress als het gevoel dat ontstaat wanneer je niet kunt waarmaken wat voor je patiënt, zijn naasten of jezelf belangrijk is, en je niet de zorg kunt geven die je zou willen geven. Het is dus geen gewone werkdruk. Je weet wat je goed vindt, maar de situatie laat het niet toe. V&VN waarschuwt dat morele stress die lang aanhoudt een risico is op uitval en vertrek uit het vak, en ziet het signaleren ervan juist als een manier om te ontdekken wat er in de zorg schuurt.
Bij doorbehandelen is de spanning extra groot, omdat de beslissing niet bij jou ligt. De arts stelt de behandeling voor en de patiënt (of zijn vertegenwoordiger) geeft toestemming. Dat is vastgelegd in de WGBO. Jij voert uit, observeert en ziet de gevolgen van dichtbij.
Wat de beroepscode van je vraagt
De Nationale Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden geeft geen antwoord op de vraag of een behandeling moet stoppen. Hij zegt wel iets over jouw rol. Een paar artikelen zijn hier direct van toepassing.
- Je bent aanspreekbaar op je eigen handelen (artikel 1.3). Je kunt je niet verschuilen achter de verantwoordelijkheid van een ander. Moet je in opdracht van een andere professional iets uitvoeren waar je niet achter staat, dan laat je dat beredeneerd aan die professional weten.
- Je komt op voor de belangen van de zorgvrager (artikel 2.3). Dat betekent niet dat jij beslist, maar wel dat je wat je ziet inbrengt.
- Je respecteert de keuze van de patiënt (artikel 2.10). De weigering van een wilsbekwame zorgvrager respecteer je, en bij twijfel onderzoek je samen met hem de redenen. Andersom geldt ook dat een patiënt die wil doorgaan, daar een eigen afweging in maakt.
- Je werkt samen met andere disciplines (artikel 3.2). Je respecteert de verantwoordelijkheid en deskundigheid van de arts, en blijft tegelijk kritisch op die van jezelf en van anderen.
- Je hebt recht op gewetensbezwaren (artikel 2.5). Brengt een handeling je in ernstig conflict met je levensovertuiging of persoonlijke waarden, dan mag je weigeren mee te werken. Je meldt dat zo tijdig mogelijk en geeft de zorg gemotiveerd terug aan je leidinggevende of een collega.
Dat laatste is bedoeld voor ernstige conflicten met je geweten, niet voor elke twijfel aan een behandelplan. Voor de meeste situaties is de route die de code beschrijft een andere, namelijk je observaties onderbouwd bespreken met de arts en het team. Meer over de opbouw van de code lees je in onze uitleg over de beroepscode voor verpleegkundigen.
Je zorgen bespreekbaar maken
In de praktijk begint het bij wat je ziet. Beschrijf in het dossier objectief wat je waarneemt, zoals pijn, uitputting, complicaties en wat de patiënt zelf zegt. Breng dat in bij de overdracht, de visite of het multidisciplinair overleg. Een arts die hoort dat een patiënt ’s nachts zichtbaar lijdt, heeft informatie die hij overdag misschien mist. Dat is geen inmenging in een medisch besluit, maar precies de inbreng die de beroepscode van je vraagt.
Gaat het om de wens van de patiënt of de familie, dan helpt het om te weten wat er al besproken is. Is er gesproken over doelen van de behandeling en over wat de patiënt belangrijk vindt in de tijd die hij heeft? Zo niet, dan kun je de arts vragen dat gesprek te voeren of erbij te zijn. De code vraagt je ook na te gaan of de zorgvrager de informatie die hij krijgt heeft begrepen (artikel 2.9).
Moreel beraad en andere steun
Soms blijft het schuren, ook als iedereen zorgvuldig handelt. Daarvoor noemt V&VN instrumenten om samen stil te staan bij een dilemma, zoals moreel beraad en het CURA-instrument. In een moreel beraad bespreek je met betrokkenen een concrete casus aan de hand van een vaste methode. Het doel is niet om de schuldige aan te wijzen, maar om helder te krijgen welke waarden botsen en wat goede zorg in deze situatie is. Veel ziekenhuizen en zorgorganisaties hebben een ethiekcommissie of een getrainde gespreksleider. V&VN biedt via de eigen academie een leertraject aan voor wie zelf een moreel beraad wil leiden.
Wij vinden dat de enquête vooral laat zien dat deze gesprekken vaker nodig zijn dan ze plaatsvinden. Morele stress is geen teken dat je het vak niet aankunt. Het is een signaal dat je waarden ertoe doen. Praat erover met collega’s, je leidinggevende of een vertrouwenspersoon, en vraag naar de mogelijkheden voor moreel beraad in jouw organisatie. Merk je dat het je blijvend belast, zoek dan ook steun voor jezelf, bijvoorbeeld via de bedrijfsarts.

