Ja, een verzorgende of doktersassistent mag een ECG maken, ook zonder dat een arts ernaast staat. Een hartfilmpje maken is geen voorbehouden handeling in de zin van de Wet BIG. Er is dus geen wettelijke opdracht nodig en geen toezicht van een arts. Dat betekent niet dat iedereen het zomaar mag doen. Wie de elektroden plakt, moet het kunnen, en de organisatie waarvoor je werkt moet geregeld hebben wie wat doet en wie naar de uitslag kijkt. Dat laatste is bij een ECG eigenlijk de belangrijkste vraag.
Waarom een ECG niet onder de Wet BIG valt
De Wet BIG somt in artikel 36 op welke handelingen voorbehouden zijn. Het gaat om heelkundige handelingen, verloskundige handelingen, endoscopieën, katheterisaties, injecties, puncties, narcose, handelingen met radioactieve stoffen of ioniserende straling, electieve cardioversie, defibrillatie, elektroconvulsieve therapie, steenvergruizing, kunstmatige bevruchting en het voorschrijven van UR-geneesmiddelen. Een overzicht met uitleg per categorie vind je in ons stuk over de veertien voorbehouden handelingen.
Een ECG staat daar niet bij. Bij het maken van een hartfilmpje plak je elektroden op de huid en registreer je de elektrische activiteit van het hart. Er wordt niets ingebracht, niet geprikt en geen weefsel doorbroken. Opvallend is dat de wet wel twee handelingen noemt die met het hartritme te maken hebben, namelijk electieve cardioversie en defibrillatie. Daar wordt stroom door het hart gestuurd. Bij een ECG wordt alleen gemeten. Dat verschil verklaart waarom het een wel en het ander niet voorbehouden is.
Omdat het geen voorbehouden handeling is, speelt de opdrachtregeling uit de artikelen 35 en 38 geen rol. Bij een injectie moet een bevoegde opdrachtgever een opdracht geven en moet jij redelijkerwijs mogen aannemen dat je bekwaam bent. Bij een ECG ontbreekt die wettelijke laag. Hoe dat bij handelingen die wel voorbehouden zijn werkt, lees je in ons overzicht van verpleegtechnische handelingen.
Waar de eisen dan vandaan komen
Dat de Wet BIG zwijgt, betekent niet dat er niets geregeld is. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zegt in artikel 2 dat de zorgaanbieder goede zorg levert, en dat zorgverleners handelen volgens de professionele standaard. Artikel 3 gaat een stap verder. De zorgaanbieder moet zijn personeel kwalitatief en kwantitatief zo inzetten, en verantwoordelijkheden en bevoegdheden zo toedelen, dat dit redelijkerwijs leidt tot goede zorg.
Voor een ECG betekent dat in de praktijk drie dingen. Er hoort een werkwijze te zijn waarin staat wie ECG’s maakt en hoe. Wie dat doet, moet daarvoor geschoold zijn en het regelmatig genoeg doen om het te blijven beheersen. En er moet vastliggen wie de uitslag beoordeelt en wat er gebeurt als die uitslag afwijkt. Dat is geen extra regel bovenop de wet, het is wat artikel 3 Wkkgz van de zorgaanbieder vraagt. Het lijkt op wat geldt voor risicovolle handelingen die niet voorbehouden zijn, zoals sondevoeding. Ook daar draait het om aantoonbare bekwaamheid, niet om een wettelijke bevoegdheid.
Maken is iets anders dan beoordelen
Hier zit volgens ons het eigenlijke punt. Het maken van een ECG is technisch werk. Elektroden op de juiste plek, storing voorkomen, de patiënt stil laten liggen, een leesbare strook afleveren. Het beoordelen van die strook is iets anders. Een ritmestoornis herkennen of tekenen van een infarct zien vraagt medische kennis, en de conclusie die daaruit volgt hoort bij degene die de behandeling bepaalt. Ook dat staat niet als voorbehouden handeling in de wet, maar het valt buiten wat van een verzorgende of doktersassistent verwacht mag worden.
Het risico zit dus vooral in de tijd tussen maken en beoordelen. Een ECG dat een uur in een bakje ligt terwijl de patiënt pijn op de borst heeft, is een organisatieprobleem, geen bevoegdheidsprobleem. Vraag daarom niet alleen of je het mag, maar ook wat je moet doen als je iets ziet dat je niet vertrouwt, of als de patiënt tijdens het maken klachten krijgt. Wie daarover geen afspraak kent, mist een stuk van de werkwijze. Bij een doktersassistent in de huisartsenpraktijk ligt die verantwoordelijkheid bij de praktijk. Wat een doktersassistent verder doet, lees je in ons stuk over het beroep van doktersassistent.
Wat er gebeurt als het misgaat
Het verschil met een verpleegkundige zit ook in het tuchtrecht. Artikel 47 van de Wet BIG zegt dat wie in het BIG-register staat in een van de genoemde beroepen, onder het wettelijke tuchtrecht valt. De verpleegkundige staat in die lijst, de verzorgende en de doktersassistent niet. Zij hebben geen BIG-registratie en kunnen dus niet voor het tuchtcollege worden gedaagd.
Dat betekent niet dat er geen gevolgen kunnen zijn. Artikel 96 van de Wet BIG geldt voor iedereen die handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verricht. Wie buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaakt, is strafbaar. Daarnaast kan de zorgaanbieder zelf worden aangesproken, want die moet volgens de Wkkgz goede zorg organiseren. Werkt een verpleegkundige mee aan het ECG of aan de beoordeling, dan geldt voor haar het tuchtrecht wel.
Voor de dagelijkse praktijk komt het erop neer dat je een ECG zelfstandig mag maken als je het geleerd hebt en de afspraken kent. Het mag niet zo zijn dat je het doet omdat er toevallig niemand anders is, zonder te weten wie de uitslag ziet. In dat geval is het niet de wet die je tegenhoudt, maar is de werkwijze nog niet af.

